INGRID ADRIAANS






TUSSENRUIMTE



Afstudeerscriptie
Ingrid Adriaans
Bachelor Beeldende Kunsten
Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten Den Haag
Sectie Autonoom
Supervisie Onno Schilstra
2020


Met dank aan Onno Schilstra voor de inspirerende en deskundige begeleiding.




“ Ik zie het leven als een gang zonder vast startpunt of bestemming. Wij hebben de neiging om ons steeds op de bestemming te richten, waardoor we alle tussenruimtes over het hoofd zien.”

Do Ho Sun


INLEIDING


“ Een lege vlakte van glooiend water strekt zich uit tot aan de horizon. Het dunne doek van de spinnaker bolt juist op in de zwakke passaatwind. Heupwiegend glijden we over de zacht golvende deining. We varen in een eindeloze leegte van zon, zee en witte passaatwolken. Nieuw Zeeland  al weer ruim 1000 zeemijlen achter ons. De gordel van depressies op veilige afstand. Ik ga op het kajuitdak zitten. De zon is nog niet te fel en brandt aangenaam op mijn witte huid. Mijmerend staar ik in de verte. Hoe zou het zijn om ons nu van bovenaf te zien. Een speldenprik op een onafzienbare golvende vlakte. Een fleurige stip sluipend door het laatste vacuüm van de moderne wereld.“


Tussen  1991 en 1996 zeilden mijn vriend Marcel en ik vijf jaar over de grootste tussenruimte die deze aarde rijk is: de oceaan. Voor de mens is het een doorgangsgebied, een transportweg van A naar B, voor vele vissen en zoogdieren is het hun habitat. Als ik aan de oceaan denk, denk ik aan eindeloze vlaktes van water, een eenzame zeeschildpad die als een herfstblad om de boot dwarrelt, een vlakte van miljoenen babykwalletjes die reikt tot aan de horizon en roze oplicht in het licht van de ondergaande zon, het schijnsel van de boordlichten van een schip in de nacht dat in de verte voorbijvaart. Weken waren we soms onderweg en aangewezen op onszelf. Er was nog geen internet en onze post haalden we op in het consulaat op het volgende eiland. Als ik spreek over tussenruimtes die mijn leven beïnvloed hebben dat is dit waarschijnlijk wel de belangrijkste. Want hoe nietig ben je op de oceaan als mens, overgeleverd aan de elementen op dat kleine zeilschip in deze eindeloze ruimte.



Voorjaar 2019 deed ik mijn eerste soloperformance. Het was tijdens een presentatie in het derde jaar van mijn studie aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag. In die periode werd het voor mij steeds lastiger mijn werk in de zorg te combineren met mijn studie op de kunstacademie. Ik bevond mij tussen twee werelden in: de kunst en de zorg. Vooral mentaal werd het steeds zwaarder. Telkens moest ik omschakelen van een wereld waar het gaat over leven, dood en dagelijkse levensbehoeften naar de wereld van de verbeelding. Ik had mij voorgenomen de combinatie van deze twee werelden zo letterlijk mogelijk te nemen en met de fiets waarmee ik tijdens mijn werk de cliënten in de wijk bezoek, door de academie te gaan fietsen. En niet alleen fietsen maar ook de trappen op en af. Als een idioot fietste ik door de school, nam de fiets op mijn nek, trap op, trap af, net zo lang tot ik totaal buiten adem was. Het werd een slapstickachtige performance en ik hield het nog best lang vol.


Enkele weken later deed ik een performance op het Centraal Station en nog één in de gangen van de academie. Langzaam begon ik te ontdekken dat ik mijn werk het liefst maak in de ruimte tussen de ruimtes in. De ruimtes waar we normaliter gedachteloos doorheen wandelen op weg van de ene bestemming naar de andere. Naast de fysieke ruimte ontdekte ik ook een ruimte, waar ik mij  voorheen niet bewust van was. Een tussenwereld, een wereld tussen de werkelijkheid en een andere wereld in. De wereld tussen leven en dood, de wereld tussen werkelijkheid en fantasie, tussen het dagelijks leven en iets wat daarbuiten ligt.  Uiteindelijk is deze scriptie een zoektocht geworden naar wat die tussenruimtes precies voor mij betekenen en waarom deze ruimte, die zowel fysiek als mentaal voor mijn performance kunst zo belangrijk is.


Leeswijzer:

Het schrijven van deze scriptie zie ik als een doorlopend proces dat van essentieel belang is voor de ontwikkeling van mijzelf als kunstenaar. De teksten zijn in chronologische volgorde geschreven en tijdens het proces zo min mogelijk aangepast. Ik wilde zo lang mogelijk openhouden waar de essentie ligt van mijn zoektocht en heb mij tot het laatst toe zo min mogelijk gericht op het eindresultaat, dit om onverwachte zijweggetjes op mijn  pad niet te missen. Dat betekent wel dat de stukjes van de puzzel pas in het laatste hoofdstuk bij elkaar komen en ook dan blijven er nog vragen onbeantwoord.


Bronnen  Inleiding

  • Adriaans, Ingrid. Vijf jaar zeilen in de schaduw van de maan. Rotterdam: Heijnen BV. 1999.





    BIRMINGHAM



    Wij moesten tijdens de pauze doorgaan. Middenin de lege industriële ruimte stonden we op een meter afstand van elkaar met onze onderarmen rondjes te draaien. Ik  keek naar de grote zeemeermin op zijn blote buik die heen en weer wiegde op het ritme van onze bewegingen. Zo stonden we daar terwijl onze groepsgenoten in de keuken aan het lunchen waren. Hoe lang weet ik niet meer, de tijd leek er niet toe te doen. We kwamen in een soort trance waarin de realiteit geleidelijk wegvloeide. Langzaam durfde ik hem  in de ogen te kijken. Wie was hij? Zo anders dan ik, vol tatoeages en 30 jaar jonger. Wat hadden wij gemeen en waarom ik? Zonder dat we wisten hoe lang we daar hadden gestaan druppelden onze groepsgenoten de ruimte weer binnen. Een van de begeleiders haalde ons uit onze concentratie en we konden stoppen. Tijd om te eten kregen we niet.


    Dit was mijn eerste echte kennismaking met  Oozy, een autistische hyperintelligente drag queen uit de VK. Op een of andere manier was er een natuurlijke band tussen ons. Een groter contrast kon er op het eerste gezicht niet zijn, hij blond, gay en vol tatoeages die hij veelal zelf had aangebracht en ik een grijze vrouw van tegen de zestig. Onze levens hadden niets gemeen, maar onze zielen blijkbaar wel.

    We namen beide deel aan een tweeweekse performance art workshop. Later in de week werkten we veel samen. We ondersteunden elkaar en hij daagde mij uit dingen te doen die voor mij totaal ongewoon waren. We creëerden een sprookjesachtige wereld met  onze eigen regels en onze eigen schoonheid. We maakten een ruimte die voorheen niet bestond, ons eigen universum.

    De hele ervaring met Oozy heeft mijn kunstenaarsleven op z’n kop gezet. Eenmaal weer thuis in een saaie buitenwijk van Dordrecht voelde ik mij totaal ontheemd. Opeens wist ik ook wat performance art voor mij betekende. Vanuit een diepe concentratie stap je een andere wereld binnen. Je maakt  een ruimte tussen de gangbare ruimtes in, het is voor mij geen acteren maar een heel bewuste aanwezigheid in het moment. Tijdens mijn performances creëer ik mijn persoonlijke tussenruimte.

    Een paar maanden later woon ik een lezing bij in de Amsterdamse Bijlmer. De lezing maakt onderdeel uit van een symposium over performance art. Kunstenaars en onderzoekers presenteren hun onderzoeksprogramma’s. Voor mij zit een kleine vrouw op een verduisterd podium. Het Engels is moeilijk te volgen. Ze vertelt dat ze op negenjarige leeftijd bij haar oom en tante thuis een filmpje zag op de televisie. Dit filmpje heeft haar bijna dertig jaar later geïnspireerd tot het doen van dit onderzoek. Het valt mij op dat onderzoeksprogramma's vaak gebaseerd zijn op hele kleine persoonlijke ervaringen op jonge leeftijd. Aan het einde van de lezing laat ze het filmpje zien. De wat krakerige beelden zijn uit 1968. Ik zie een man in een duister barok ingericht appartement zichzelf transformeren naar vrouw en weer terug. Het filmpje is van de Italiaanse film- en theatermaker Carmelo Bene. Hij had een voor die tijd revolutionaire benadering van theater en film. Een benadering gebaseerd op vertraging van het tragische en zijn weigering om deel uit te maken van de geschiedenis. Er is weinig over hem geschreven in het Engels helaas en de meeste teksten zijn in het Italiaans. Het filmpje grijpt mij aan omdat de dramatiek van een persoon tussen twee genders in mij enorm aan mijn vriend Oozy doet denken.

    Zelf ben ik nooit zo bezig geweest met de hele genderdiscussie. Maar nu je zo direct werd geconfronteerd met de worsteling van iemand en de uitsluiting die hiermee gepaard gaat ga ik zelf ook twijfelen en komen er herinneringen uit mijn jeugd naar boven die ik totaal had weggestopt. Ik begon te lezen over identiteit en kwam er achter dat mijn eigen identiteit niet zo vast stond als ik zelf had verondersteld. Identiteit is iets wat continu aan verandering onderhevig is, ook die van mij.  Volgens de Belgische psycholoog en  schrijver Paul Verhaeghe is er geen wezenlijke identiteit, maar hangt onze identiteit grotendeels af van onze omgeving. Hij noemt identiteit een verzameling van ideeën die de buitenwereld op ons lijf geschreven heeft. Het is een continu proces van samenvallen en afstand nemen van de ander. De spiegel die de omgeving ons voorhoudt, bepaalt wie we zijn. Als ik terugkijk op mijn ervaring met mijn vriend Oozy dan zie ik dit ook. Onze identiteiten versmolten met elkaar tijdens onze performance. We namen dingen van elkaar over en lieten dingen los en zo ontstond er een andere wereld. Nu was dit een performance van een paar uur. In een paar uur verander je niet je identiteit. En toch weet ik dat ik daarna nooit meer helemaal dezelfde zal zijn als daarvoor.

    Na mijn ervaringen in de zomer wilde ik Oozy’s show zien in het VK. Daarvoor reis ik af naar Birmingham naar een performance art festival waar hij/zij optreedt. In het centrum van de stad tref ik vooral glimmende, megalomane winkelcentra en bouwputten aan waartussen winkelstraten. De meest activiteiten van het festival vinden plaats in de troosteloze industriële wijken aan de randen van de stad. Na 11 uur ‘s avonds veranderen deze wijken in verlaten spookstraten waar je nog niet dood gevonden wilt worden. Op de navigatie van de telefoon loop ik naar de locatie waar de show is. Ergens achter een loods in een piepklein zaaltje. Het optreden is een enorme ervaring. Een wereld waar ik nooit deel van uit had gemaakt. De sfeer in de afgeladen zaal is hilarisch en doet me denken aan cabaretvoorstelling in het Berlijn van de jaren dertig. De show heeft heel politiek karakter  en de naderende Brexit is een belangrijk thema. De volgende dag ontmoet ik Oozy op een ‘professionals day’.  Ze draagt een mini jurkje met enorme plateauzolen. Met haar lange nepnagels hoor ik haar tikken op haar telefoon. We spreken af elkaar in december weer te zien.

    Eenmaal weer thuis dacht ik: waar ging deze week nu eigenlijk over?  Behalve de show van Oozy had ik nog veel andere mooie performances gezien. Maar wat was er blijven hangen, wat had ik zelf willen doen en wat staat het dichtst bij mij? Eigenlijk kwam ik tot de conclusie dat het niet de kunst was maar de ruimte ertussenin die het meeste indruk had gemaakt. Die stad bij nacht. De vele wandelingen door de troosteloze verlaten straten. Dichtgetimmerde loodsen, eenzame duistere figuren in donkere hoekjes, verder geen mens te bekennen, geen verkeer op straat. Ik bevond mij in een vacuüm van de stad, alsof ik zonder dat ik het door had een onrealistische wereld was binnengelopen. Die eenzaamheid, die spanning, die wereld waar slechts een enkeling zich in waagt. Die leegte die nog alle mogelijkheden biedt voor invulling, waarin niemand weet dat ik er ben en niemand zegt wat ik moet doen. Een onvoorwaardelijke vrijheid in het holst van de nacht. Dat is waar ik mijn kunst zoek, niet in wat we weten, maar in dat wat we niet weten, waar we vrij zijn om te zien en te voelen wat we zien en voelen. Geen vooringenomenheid, maar een leegte, een tussenruimte met eindeloze mogelijkheden.

    Achteraf deden deze omzwervingen door het nachtelijke Birmingham mij denken aan Derive, een concept dat halverwege vorige eeuw is bedacht door de fransman Guy Debord. Bij Derive loop je op een speelse manier zonder direct doel door de stad en intussen is er een bewustzijn van de invloed van de geografische omgeving op je gedrag en je emoties, hij noemde dat psychogeografie. Het verschilt van een reis of een wandeling. Een of meerdere deelnemers laten zich leiden door het karakter van het terrein en door wat ze onderweg tegenkomen. Toeval is hierin minder belangrijk dan je aanvankelijk zou denken, steden hebben vanuit het Derive standpunt psychogeografische contouren, vaste punten en constante stromen die het ontmoedigen om bepaalde zones binnen te gaan via de “achterdeur”.  Mijn nachtelijke zwerftochten door de verlaten straten van Birmingham voelden als een performance, als een Derive, er was wel een belangrijk verschil met het concept van Debord, ik wilde terug naar het Hotel. Toch werd ik door de vele bouwputten die ik moest omzeilen gedwongen hele einden om te lopen en daardoor kwam ik in straten en buurten waar ik anders nooit geweest zou zijn. Ik was gedwongen mij te laten leiden door de contouren van de stad en was mij zeer bewust van de invloed van de stedelijke omgeving op mijn gemoedstoestand.

    Bronnen  Birmingham

    • Verhaeghe, Paul. Identiteit. 10de druk, Amsterdam: de Bezige Bij, 2012.
    • Bishop, Clair. Artificial Hells. First edition. London: Verso, 2012.
    • Debord, Guy. Theory of Dérive. les Lèvres Nues #9. 1956.  Online. Internet. 10 november 2019. Beschikbaar  https://www.cddc.vt.edu/sionline/si/theory.html
    • Bene, Carmelo. Hermitage 1968. Korte Film. Online. Internet. 1 november 2019. Beschikbaar https://www.youtube.com/watch?v=kGdfvPZ5ZSg
    • Ginianni, Sara. Maquillage as Meditation. Dis-identity, ecstasy and the feminine in -Carmelo Bene’s performance philosophy. Lecture, Introduction Program. If I can’t dance, I don’t want to be part of your revolution, zondag 27 oct 2019
.
    • Project ID. Residency Program: Performance Site Den Haag 2019 . met dank aan Vest&Page (Verena Stenke en Andrea Pagnes). Marilyn Arsem, Jolanda Jansen.
    • Oozing Gloop. The Gloopshow. Fierce festival Birmingham. oktober 2019.
    • Fierce Festival. Birmingham. Oktober 2019.



    HET APPARTEMENT


    Wat is de ruimte tussen leven en dood? Hoe is het om in de wachtkamer te zitten, buiten beeld van wat er zich in de wereld  afspeelt?
    Buiten, waar de maatschappij in razend tempo voortdendert. Wat als je al lang bent afgehaakt en met vallen en opstaan doorhobbelt naar je laatste rustplaats?
    Wat als de politiek heeft besloten dat je zo lang mogelijk thuis moet blijven wonen, of je dat nu wilt of niet?
    Wat als je geen familie hebt die een boodschap voor je kan doen? Of als je kinderen aan de andere kant van de wereld wonen? Wat als je na 60 jaar lief en leed gedeeld te hebben plotseling alleen komt te staan?
    Heeft het leven dan nog zin?
    Wat als je poes sterft en je bang bent dat je een nieuwe niet overleeft? Wat als je oud wordt terwijl je daar eigenlijk helemaal geen zin in hebt?
    Wat als je in de laatste tussenruimte van het leven terecht bent gekomen en bijna niemand je ziet zitten?
    Wat als je een last wordt voor je kinderen en je dat niet wilt, wie helpt je dan? Wat als de zorg geen tijd voor je heeft en de wachtlijsten oneindig zijn.
    Wat dan?


    Voordat ik ga werken lees ik de rapportages door van onze cliënten op het web. Ik ben een dag of 10 vrij geweest en dan is er veel te lezen. Op de teamrapportage lees ik dat Ger is overleden. Ik heb hem  voor mijn vakantie nog opgezocht in het verpleeghuis en toen  ging het eigenlijk redelijk goed met hem. Dus ben ik verbaasd, ook een beetje verdrietig omdat hij inmiddels al begraven is en ik dus geen afscheid heb kunnen nemen. De volgende dag fiets ik aan het einde van mijn dienst even langs de begraafplaats. De bloemen op het graf liggen er troosteloos bij. De steen van Bets is er af. Ze liggen er samen in, in het graf. Na meer dan 60 jaar komt er een einde aan twee levens die zo verstrengeld waren.

    Ger was getrouwd met Bets. Bets was een feest. Ze was van streng gereformeerde huize en droeg geheel tegen deze traditie in ‘s zomers altijd prachtige bloemetjesjurken. Liefst tot ver boven de knie. Ondanks dat ze al in de tachtig was stond het haar geweldig. Dit tot grote irritatie van haar familie die dit soort kleding totaal ongepast vond. Ze praatte continu en had geweldige verhalen over vroeger. Haar jeugd op de boerderij van haar vader. Het houten huis aan de Blaaksedijk dat ze zelf gebouwd hadden en waar zoon Barjo was opgegroeid. Barjo was geboren met een verstandelijke handicap en woonde in een tehuis in de buurt van Rotterdam. Hij was inmiddels ook in de 60.


    Vorig jaar was Bets na een kort ziekbed plotseling overleden. Geheel tegen de verwachting in omdat ze een stuk jonger was dan Ger. En toen zat hij opeens alleen met de poes zonder zijn lieve Bets. Het appartement was stil. Hij wist niet goed hoe de tv aan moest en zat een groot deel van de dag te staren aan de keukentafel. Wij bezochten hem twee maal per dag, hielpen met wassen en aankleden. Maakten een ontbijt klaar en dronken een bakje koffie met hem. Maar het was nooit meer als daarvoor. Nooit meer de ratelende Bets met haar fantastische verhalen. Je zag hoe het langzaam minder werd. Hij droeg niet de sjieke broeken, die Bets voor hem kocht, maar joggingbroeken, die zaten veel makkelijker. Hij had geen trek meer, at slecht, deed zijn gebit niet meer in. In de slaapkamer hingen achter de deur de oude bloemetjesjurken van Bets. Hier mogen jullie nooit aankomen, die mogen nooit weg.

    Langzaam werd het minder. Hij viel af, werd verschillende malen opgenomen in het ziekenhuis maar krabbelde elke keer toch weer op. Tot het echt niet meer ging. Ik was de laatste die hem verzorgde voordat hij naar het verpleeghuis ging. Voor de laatste keer scheerde ik voorzichtig zijn gezicht. Ik kende elk plekje en elk hobbeltje in zijn huid. Ik douchte hem, waste zijn haar, droogde hem af met de dunne handdoek. Voor de laatste keer voelde ik zijn magere knokkelige lijf, de blauwe aderen, de transparante huid. Ik deed hem een sjieke spijkerbroek aan.  Zijn gevoerde pantoffels, die hij altijd droeg. Hij was verzwakt en ging op bed liggen. Ondanks zijn zwakte zag hij er trots uit, met zijn mooie kop met haar en z’n dure overhemd. Ik was erbij toen hij door de ambulancebroeders op de brancard in de katoenen dekens werd gewikkeld en zijn geliefde plek werd uitgereden.


    Later bezocht ik hem verschillende keren in het verpleeghuis. In de kale kamer stonden wat spulletjes uit het appartement waar hij de laatste jaren met Bets had gewoond. Op tafel een foto van een lachende Bets. Toch had het niets van de gezellige keukentafel waar we met z’n allen achter een kop koffie aan de lippen hingen van Bets. Het was stil. Het personeel zat in het kantoor te lunchen en er stond een bord eten op de tafel. Hij was flink aangekomen en zag hij er best goed uit. Zij mooie haardos was geknipt tot een boerenkapsel waarvoor Bets zich had omgedraaid in haar graf. Hij had geen gebit in en sabbelde de knapperige patat met moeite naar binnen. Ik bleef een tijdje bij hem zitten. Hij was zwijgzaam zoals altijd. Na een half uurtje namen we afscheid en ik beloofde snel weer  te komen.


    Bronnen Het appartement

    • Pool, Aard. ed. Eerst buurten dan zorgen, Amsterdam: Boom Lemma Uitgevers, 2011.
    • Meininger, Herman. Verhalen verbinden, oratie, Vrije universiteit 2007. Online. Internet. Beschikbaar  https://www.canonsociaalwerk.eu/1891_Heerenloo/Oratie%20Meininger%2022%2005%202007.pdf
    • Takita, Yojiro 2008, Departures, DVD, Quality Film Collection, 2008.
    • Mijn ervaringen in de palliatieve zorg als wijkverpleegkundige bij Buurtzorg Binnenmaas 2 in Maasdam, 2014-heden. Met dank aan mijn lieve collega’s




    HET BADHUIS




    Met een dikke ketting zet ik mijn fiets vast aan de lantaarnpaal op de kade. Een hele rij binnenvaartschepen scheidt mij van waar ik moet zijn. Ik ben op weg naar een cliënt van ons die in een ark woont helemaal aan de buitenkant van de rij. Hij heeft een katheter in de buikwand die wij dagelijks verzorgen en hij draagt steunkousen die hij niet zelfstandig kan aantrekken.

    Het een mistige en druilerige winterdag. Ik stap aan boord van het eerste schip en loop door het stalen gangboord naar de ander kant. Zonder dat ik het in de gaten heb blijken de trossen van het volgende schip te zijn los gegooid. Het lukt me nog net om over te stappen voordat de afstand tussen de twee schepen onoverbrugbaar wordt. Zonder motor zie ik het eerste schip achter me geruisloos de mist in glijden. Ik loop langs de open luiken naar de andere zijde. Wanneer ik op het volgende schip wil overstappen gebeurt hetzelfde. Zonder dat ik enige menselijke activiteit kan waarnemen worden de lijnen losgegooid en verwijderen de twee schepen zich van elkaar. Ook nu lukt het me om net op tijd in het gangboord te springen. Dit herhaalt zich verschillende keren. Hoe vaak weet ik niet meer, maar er ontstaat een vreemde logica waarin ik mij totaal niet herken. Intussen bouwt zich in mij een zekere paniek op en krijg ik het vermoeden dat ik mijn doel op deze wijze niet ga bereiken. Ik probeer mijn hoofd koel te houden en vervolg zo stoïcijns mogelijk mijn weg van de ene metalen wand naar de andere. Zo snel mogelijk klauter ik over de dekken tussen de lieren, bolders en lijnen door. Ik  voel enige opluchting wanneer ik onze cliënt voor het raam van zijn ark aan het ontbijt zie zitten. Maar ook de ark gaat aan de haal en net voordat ik wil springen zie ik tot mijn schrik dat het woonschip  naar voren overhelt en het voordek onder water dreigt te verdwijnen. Aan de achterzijde van de ark, die geleidelijk omhoog komt, zijn twee in opzichtige pakken gehulde hulpverleners bezig een oudere heer in dekens te wikkelen. In het gezicht van de man met de licht grijze haardos herken ik onze cliënt waar ik naar op weg was.


    Voor mijn onderzoek naar de tussenruimtes ligt een belangrijke inspiratiebron in de Japanse cultuur. In de jaren negentig verbleef ik zeven maanden in Japan en ik heb daarna gedurende meerdere jaren de Japanse taal bestudeerd. Wat mij altijd geïntrigeerd heeft is het gemak waarmee mensen in Japan lijken over te stappen van wat in mijn ogen de realiteit is naar een andere wereld, noem het fantasie, noem het spiritualiteit, noem het droom of herinnering. Zij creëren een tussenruimte waarvan je van het ene zo kunt overstappen in het andere zonder dat je je daarvan bewust bent. Het lijkt iets vanzelfsprekends, iets wat er gewoon bij hoort. Naar mijn gevoel heeft dat alles te maken met de oudste en belangrijkste godsdienst van Japan, het Shintoïsme.


    Het Japanse meisje Chihiro is naar een andere stad verhuisd. Samen met haar ouders is ze op weg naar hun nieuwe woning. Wat mokkend ziet ze vanaf de achterbank van de auto het Japanse landschap aan zich voorbij trekken. Bij het naderen van hun nieuwe huis neemt de vader van Chihiro per ongeluk een verkeerde afslag. Ze passeren een oude torii leunend tegen een oude boom met daaronder allemaal kleine huisjes, waar volgens Chihiro’s moeder de goden wonen. De ogen van Chihiro worden groot. Geïntrigeerd kijkt ze vanuit de rijdende auto de huisjes na. Chihiro’s vader geeft steeds meer gas en lijkt de controle te verliezen. Ze scheuren door het bos en komen piepend tot stilstand voor een smalle donkere tunnel, die onderdeel lijkt uit te maken van een grote poort. Vader en moeder lopen achteloos de tunnel binnen om even een kijkje te nemen. Chihiro vertrouwt het niet en probeert ze tegen te houden, maar tevergeefs. Angstig loopt ze aan de hand van haar moeder de donkere tunnel in. De tunnel leidt naar een verlaten themapark. In de jaren negentig zijn er in Japan veel van dit soort parken gebouwd die later failliet gingen en nu leeg staan. Haar ouders gaan op pad om het park te verkennen. Ze lopen door een open veld met vervallen huizen en steken een droge rivierbedding over. Tot hun verrassing vinden ze in het dorp een eetkraam die open is, er is verder niemand te bekennen. Ze beginnen gulzig te eten van al het lekkers dat voor hen in de vitrines ligt. Chihiro weigert mee te doen en gaat voorzichtig wat rondkijken in het gebied. Ze komt bij een groot gebouw dat dienst doet als badhuis. Op het plein voor het badhuis ontmoet ze Haku, een jonge jongen, die haar met klem aanraadt meteen te vertrekken. Paniekerig rent Chihiro terug naar haar ouders, die nog steeds zitten te schransen en tot haar afgrijzen in varkens zijn veranderd. Inmiddels is de rivierbedding gevuld met water. De weg terug is hierdoor afgesneden. Het wordt donker en Haku vindt Chihiro snikkend aan de rivieroever. Hij helpt haar te overleven in een wereld van wonderlijke wezens die komen baden in het badhuis dat gerund wordt door een oudere vrouw genaamd Yubāba.


    Dit is de openingsscène uit Spirited Away, de beroemde animatiefilm van de Japanse animator en filmmaker Hayao Miyazaki. De film is doorspekt met verschijnselen en zienswijzen afkomstig uit het Shinto geloof. Shinto is de oudste wereldbeschouwelijke stroming die Japan kent. Er zijn nauwelijks geschriften, geen stichter, geen dogma’s en ze kennen geen hiernamaals. Het gaat er van uit dat de goden, de schepping en de mens afkomstig zijn uit dezelfde natuurlijke bron. Alles vormt een groot geheel en alles staat met elkaar in verbinding. Shinto is een animistische godsdienst en Japan is daarmee het enige high tech land ter wereld waar een animistische godsdienst een grote rol speelt in het dagelijks leven. Dat Chihiro en haar ouders een rijk van het buitengewone binnen gaan blijkt al uit het feit dat ze aan het begin van de verkeerde afslag een oude torii passeren die tegen een boom aangeleund staat omringd door huisjesachtige heiligdommen. Een torii markeert een heilige plaats waar de kami wonen. Een kami is een begrip dat wij niet kennen. Het vertegenwoordigt een vitale energie.  Een kami kan aangeduid worden met zeer uiteenlopende fenomenen zoals de maan, de zon, rivieren, bergen, velden, zeeën, regen en wind, maar ook met planten en dieren, of grote personen, helden of leiders. Ze zeggen dat er meer dan acht miljoen kami zijn, maar mogelijk zijn ze opgehouden met tellen omdat het er gewoon te veel waren. De heilige plek waar de kami verblijven, de jinja,  heeft de potentie om veranderingen in iemands leven te bewerkstelligen. Om deze veranderingen te bereiken moet je gevoelig zijn voor de aanwezigheid van kami en een zuiver en opgewekt geweten (kokoro) hebben. Deze emotionele en mentale toestand is niet gemakkelijk te bereiken. Chihiro, die zich tijdens haar reis door het rijk van Yubāba ontwikkelt van een mokkend meisje tot een wijze tiener die risico’s niet schuwt en zelfstandig beslissingen neemt lukt dat duidelijk wel, maar haar ouders die gewetenloos zitten te schransen en het eten van anderen ongegeneerd opeten bereiken dit stadium niet. Kami kunnen je helpen dit proces te bewerkstelligen. Om dit te bereiken moet je eerst de oude toestand verlaten, een tussenruimte binnengaan en dan kun je terugkeren als iemand die als het ware opnieuw gevormd is. De Japanse titel van de film verwijst expliciet naar deze tussenruimte. Sen to Chihiro no kamikakushi  betekent Sen en Chihiro door kami verborgen. Kamikakushi verwijst naar een incident waarbij iemand op onverklaarbare wijze een tijd ontbreekt. Als degene die terugkeert zich herinnert weg te zijn geweest, dan is die verborgen geweest door de kami. De ouders van Chihiro herinneren zich achteraf niets, terwijl Chihiro’s haar reis door het rijk van de kami heel goed bij is gebleven.


    Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog vond er in een bergachtig buitengebied van Japan een vreemd incident plaats. Een jonge onderwijzeres trok met een klas kinderen de bergen in voor een buitenles. Ze gingen paddestoelen plukken. Terwijl ze in het bos rondscharrelden trok hoog boven hen een Amerikaanse bommenwerper voorbij. De zon weerkaatste in het glimmende aluminium van het vliegtuig en dit gaf een fel schijsel hoog aan de blauwe hemel. Ze keken het toestel na, wetende dat de bommen naar aller waarschijnlijkheid niet in dit dunbevolkte gebied zouden vallen.  Eenmaal op de hellingen van de berg verloren de kinderen op mysterieuze wijze om de beurt hun bewustzijn en bleven rustig ademend op de grond liggen. In paniek holt de lerares naar het dorp beneden in het dal. De dorpsdokter grist zijn spullen bij elkaar en haast zich samen met haar terug naar de berghelling. Intussen blijkt een deel van de kinderen al weer bijgekomen. Een paddenstoelenvergiftiging ligt het meest voor de hand, maar niets wijst daarop. De arts denkt achteraf dat het een vorm van groepshypnose is geweest. Geleidelijk worden alle kinderen wakker en lopen wat zwabberig zelf terug naar het dorp. Behalve een negenjarige jongen uit Tokyo. Hij verbleef  tijdelijk in het dorp om te ontkomen aan de Amerikaanse bombardementen. Hij blijft bewusteloos liggen en wordt diezelfde dag nog overgeplaatst naar een militair hospitaal in de buurt van de hoofdstad.


    Het zou uiteindelijk drie weken duren voordat Nakata weer bijkwam. Alles wat voor het incident had plaatsgevonden in zijn leven kon hij zich niet meer herinneren. Hij was altijd een hele leergierige intelligente jongen maar kon de rest van zijn leven niet meer lezen of schrijven. Met een kleine uitkering van de overheid en wat hulp van zijn broers weet hij zich de rest van zijn leven te redden in een wijk nabij het centrum van Tokyo. Hij verdient wat bij door verdwenen katten op te sporen. Sinds het incident heeft hij de gave met katten te kunnen praten en zo weet hij deze gemakkelijk naar hun baasjes terug te brengen. Ook is zijn schaduw gehalveerd en kan hij met kami communiceren.

    Nakata is een van de twee hoofdpersonages in het boek Kafka op het strand van de Japanse schrijver Haruki Murakami. Nakata is mij altijd is bijgebleven als iemand die zich een tussenwereld bevond. Hij komt na zijn coma als het ware vanuit het voorportaal van de dood terug in de tastbare wereld. Maar niet helemaal. Hij heeft eigenschappen die normale mensen niet hebben en lijkt tussen de twee werelden in te leven.


    Murakami ziet zijn eigen schrijfproces als een bewuste droom. “Ik kan opzettelijk dromen terwijl ik nog wakker ben. Ik kan vandaag de droom van gisteren voortzetten, iets wat je normaal niet kunt doen in het dagelijks leven. Het is ook een manier om diep in mijn eigen bewustzijn af te dalen. Dus hoewel ik het als dromerig zie, is het geen fantasie”. In zijn boeken gaat hij de grens over tussen het bewuste en het onderbewuste. Eigenlijk vervaagt die grens en is het niet duidelijk meer waar je je bevindt. Op zich is dit ook terug te voeren op de Shinto-gedachte dat alles een geheel vormt en alles met elkaar verbonden is. We kunnen de dingen niet los van elkaar zien, ook het bewuste en onderbewuste niet. Sinds Aristoteles hebben wij geleerd de dingen in categorieën op te delen. Wij denken zo de wereld te begrijpen. Maar als de dingen niet los van elkaar te zien zijn geeft dat geen realistische blik op de werkelijkheid. Door de dingen in hokjes te stoppen denken we zekerheid te creëren, maar die zekerheid is er niet. Uiteindelijk is het de onzekerheid waar we mee moeten leren omgaan.

    Volgens Murakami leven we tussen bewustzijn en onderbewustzijn in. De reis die de andere hoofdpersoon, de vijftienjarige Kafka, maakt is een fysieke reis. In het boek reist hij van Tokyo naar Shikoku in het zuiden, naar de bibliotheek en naar het dichte woud. De fysieke reis is een metafoor voor de verkenning van het zelf. De schrijver vergelijkt het zelf met een innerlijk labyrint, dat overeenkomt met het labyrint dat buiten ons ligt.  Dit innerlijke en externe labyrint zijn nauw met elkaar verbonden en vallen af en toe samen. Enkele jaren geleden schreef ik een essay waarin ik een wandeling beschreef door het oude centrum van de Chinese stad Guangzhou, voorheen Canton. Hierin herken ik dat de innerlijke en externe wereld niet los van elkaar te zien zijn, maar de grenzen langzaam vervagen en samensmelten tot een geheel.


    “Ik loop een wereld binnen die er niet meer is, een wereld van schuifelende oude levens, van donkere hoekjes, van mythen en religie. In de bedompte schaars verlichte huizen zie ik groepjes vrouwen zitten, ik hoor de kletterende mahjong stenen snel heen en weer schuiven. Ik voel de schichtige blikken die mij volgen. Ik ga een wereld binnen waar ik niet thuis hoor. Een wereld van verhalen en vreemde wezens in kooitjes. Ik zie krioelende slangen en wriemelende kikkers. Een vrouwtje op stoffen pantoffels rijgt een paar levende kikkers aan een stengel. Ik zie straten vol gedroogde bloemen en kruiden. Ik zie donkere nissen met gloeiende wierook. Net in het voetengetrap zit een meisje met dikke vlechten aan een oud tafeltje te schrijven. Ik kan mijn ogen niet van haar afhouden. Ik buig in haar richting, dat schrift, die oeroude pictogrammen. Wat zegt dat? Ze kijkt niet op. Dat beeld van dat meisje dat middenin de hectiek van de smalle straten van het oude Canton zat te schrijven. Dat beeld is mij altijd bijgebleven. Ik heb altijd geweten dat, dat beeld heel belangrijk voor mij was. Jaren heb ik gestudeerd op de Chinese tekens. Zo vaak heb ik mij afgevraagd wat dit meisje voor mij betekende en deze week wist ik het opeens. Opeens werd alles mij duidelijk. Want dat meisje dat nu een jonge vrouw is en waarschijnlijk ergens hoog in een wolkenkrabber zit, dat meisje dat ben ik. En dat schrift met die tekens dat is wat ik wil vertellen. Daarin staat mijn taal. De taal waarvan ik weet wat daar staat, maar die je niet kunt lezen. Want als ik afdaal in de spelonken van het oude Canton dan daal ik af in mijn eigen gedachten, in mijn eigen fantasie en verbeeldingskracht. Alles wat ik als kunstenaar nodig heb ligt daar. Daar ligt mijn heilige graal”.


    Dit stukje tekst vormt de bron van mijn zoektocht naar tussenruimtes. Waarom maak ik mijn kunst het liefst in ruimtes die open blijven?  Waarom wil ik dat er geen begin of einde aan zit, maar het een circulair proces is? Is dit omdat alles met elkaar verbonden is? Omdat het één groot geheel is, waar we geen grip op hebben? Is het één grote ruimte en is er geen sprake van ruimtes tussen ruimtes, maar hebben wij die schotten er maar ingezet om de wereld beter te begrijpen? Om alles af te bakenen en zo te denken dat we weten hoe het zit? De wereld ligt niet aan het einde maar er tussenin. Uiteindelijk vormt onze innerlijke wereld en de buitenwereld één geheel. Je kunt het fysieke niet scheiden van het geestelijke. Want of ik nu loop door de steegjes van Guangzhou of door de verlaten straten van het nachtelijke Birmingham. Ik loop eigenlijk door mijn eigen gedachten, door mijn innerlijke wereld. Die niet los te zien is van wat er zich buiten afspeelt.


    Het is een mooie winterdag. Achter ons huis is onlangs een nieuw natuurgebied gecreëerd. In Nederland is geen oorspronkelijke natuur meer, alle natuur is gemaakt. De polder achter de dijk is omgevormd tot een gebied voor watervogels en wandelaars. Het land staat deels onder water en daartussen en overheen is een wirwar van paden aangelegd. Het pad dat ik neem loopt tussen de weilanden door en is omzoomd met een brede rand van wilde bloemen. Omdat het nog steeds niet koud is bloeien sommige bloemen nog. Ik kan ver kijken tussen de waterplassen over de polder naar de horizon die verborgen ligt achter de dijk bij de rivier. Na een tijdje duiken er allemaal piepkleine vogeltjes op. Ze vormen een hele zwerm en strijken een eindje voor mij neer tussen de hoge bloemen. Wanneer ik weer nader, vliegen ze op, zwermen rond mijn hoofd, scheren over de velden en strijken wederom een paar meter voor mij neer. Ik loop stug door en weer vliegen ze op, het zijn net vlinders zo buitelen ze door de lucht. Dit ritueel herhaalt zich meerdere malen. Het is eigenlijk net of ze mij iets willen zeggen, of ze mij de weg willen wijzen. Maar waar heen? Ik moet denken aan de Japanners die geloven dat alles een kami kan zijn. Ook deze vogeltjes. Wat willen ze mij zeggen? Wijzen ze mij de weg door het netwerk van paden in de polder? Of is het een andere wereld? Mijn innerlijke wereld? Duiken ze mijn gedachten in en kunnen ze mij vertellen wie ik eigenlijk ben en wat ik hier doe op deze aarde?


    Bronnen  Het badhuis

    • Miyazaki, Hayao. Spirited Away (Sen to Chihiro no kamikakushi). Animatiefilm 2001. Studio Ghibli Japan. DVD. Cinema de Luxe.
    • Murakami, Haruki. Kafka op het strand. 27ste druk. Nederlandse vertaling. Amsterdam: Atlas Contact, 2006.
    • Boyd, James W. Shinto Perspectives in Miyazaki's Anime Film"Spirited Away". Journal of Religion & Film volume 8 article 4. 2004, Colorado State University, USA.
    • Ugoretz, Kaitlyn M. Drawing on Shintō?: Interpretations of the Religious and Spiritual in Miyazaki’s Anime 2018. Department of East Asian Languages and Cultural Studies University of California. Santa Barbara
. USA. Online. Internet. Beschikbaar https://www.researchgate.net/publication/331310408_Drawing_on_Shinto_Interpretations_of_the_Religious_and_Spiritual_in_Miyazaki's_Anime
    • Updike, John. Subconscious Tunnels, Haruki Murakamiʼs dreamlike new novel. New York Times 2005. USA. Online. Internet artikel. Beschikbaar https://www.newyorker.com/magazine/2005/01/24/subconscious-tunnels  
    • D., John. Online. Internet artikel. Beschikbaar

    https://www.greenshinto.com/wp/2014/12/11/miyazakis-shinto-themes/





    HET PALAZZO




    Langzaam rijst en daalt de stad. Als een slapend lichaam, half in half uit het water. Twee maal per dag, met de stand van de maan. Als een verslagen dier zwicht deze prachtige stad onder het gewicht van de tijd. Het massatoerisme, klimaatverandering. Door de straten stromen  mensen  als bloedlichaampjes in de bloedbaan. Ze klonteren langs de wanden en verstoppen de vaten. Boten varen af en aan door de kanalen. Zielen vind je overal. Het ene pleintje nog mooier dan het andere. Overal kerken. We steken kaarsjes aan. We staan stil, we gaan verder. We ontmoeten en we nemen afscheid. Het palazzo, de oude zaal met enorme kroonluchters. We dansen, we tasten, we voelen we ruiken, we proeven, we ademen elkaars adem. Langzaam versmelten we tot één organisme. In het midden danst Marianna. Als een vluchtige engel danst ze tussen ons in. Ze vormt het kloppend hart. Haar bewegingen. Ik kijk naar haar bewegingen. Zo soepel, zo vanzelfsprekend. Ze is het helemaal, niets is gespeeld of bedacht, haar hele zijn ademt beweging, haar gedachten, haar lichaam, de manier waarop haar armen door de ruimte zwieren. Alles klopt. Zowel van buiten als van binnen. We gaan door. Het ene moment meer intens dan het andere, maar er is geen stilte, geen rust. Altijd beweging. Het leven staat nooit stil. Elke beweging geeft je een ander gevoel. Je emoties passen zich aan aan de beweging en andersom. Jij beslist niet wat je doet, er is altijd een verbinding tussen het lichaam en de geest. Je lichaam is niet van jou. Alles wordt bestuurd vanuit je geest. Je denkt niet na, het gaat vanzelf. Je lichaam beweegt vanzelf. Het lichaam vertelt je wat je moet doen.

    Je bent zo mooi
    Zo elegant
    Zo rank
    Jouw gebeeldhouwde lijf
    Jij vult de hele ruimte
    Jij hoeft niet veel te doen
    alleen maar te lopen
    Als jij binnenkomt
    vul je het hele palazzo
    Die intensiteit
    Die focus
    Die vastberadenheid
    Die nauwkeurigheid
    Je weet altijd waar je heen wilt
    En nooit met een ego, nooit
    Zo genereus
    Wat jij doet is zo mooi
    Ik blijf kijken

    We zijn met z’n tweeën, één de ogen dicht, één de ogen open. We staan middenin de ruimte. De anderen hebben ook tweetallen gemaakt.  Ik heb mijn ogen dicht. Ik sta rechtop en houd mijn lichaam ontspannen. Ze beweegt zich om mij heen ik voel de warmte van haar lichaam. Ze ruikt, haar adem blaast zachtjes bij mijn oren, bij mijn borst en in mijn nek. Ze raakt me aan. Het is heel intiem en kwetsbaar. Langzaam pakt ze mijn armen en begint mijn lichaam te bewegen. Als een marionet. Ik volg haar gevoelens. Het gaat heel bedachtzaam. Ik merk als ze twijfelt. Langzaam dansen we door de ruimte. Ik volg volledig, enkele pasjes de ene kant op, enkele pasjes naar de andere kant. We staan stil, ze vormt mijn handen tot een kommetje, alsof ik een dierbaar voorwerp in mijn handen draag.  Om mij heen hoor ik het geschuifel van de anderen. Sommige gaan wat spullen halen uit de kleedruimte. Ook zij laat me even alleen. Ik houd mijn ogen gesloten. Het voelt prettig en vertrouwd. Als ze terugkomt legt ze bedachtzaam een bosje met haar in mijn handen. Het voelt zacht en warm, heel persoonlijk. Ik weet dat dit veel voor haar betekent. Ik weet dat ze er jaren over heeft gedaan om het te verzamelen. Het is een afscheidsritueel. Na een tijdje mag ik mijn ogen weer opendoen. Ik zie dat ze is aangedaan. Vanaf nu zijn de rollen omgekeerd. Ik ruik, ik adem, ik voel, ik leid.  Voorzichtig raak ik haar aan. Voor mij is het minder emotioneel. Ik kom vaak in aanraking met de dood, en ik denk vaak na over mijn begrafenis. Hoe zou het zijn? Welke muziek wil ik? Wat wil ik voor laatste rustplaats? De dood hoort bij het leven en is onafwendbaar. Ik zie dagelijks mensen die de dood in de ogen kijken. Ik zie de berusting, ik zie de strijd. Ik zie de aanvaarding van het einde. Ik blijf op afstand, maar ik blijf in de buurt. Ik help waar nodig, maar besef dat ik maar een schakeltje ben in het geheel. En nu mag ik het zelf doen, mijn eigen begrafenisritueel. Het voelt niet vreemd, alsof ik het al vaker gedaan heb. Ik haal een rol met jute touw en wat papier. Ik laat haar zitten en wikkel het touw om haar heen. Om de paar centimeter knoop ik een papiertje aan het touw. Er ontstaat een ketting met witte vlokken van papier. Het doet me denken aan vogels. Kleine vogels die met mij mee vliegen. Ze zwermen om mij heen. Zo wil ik begraven worden. Omringd door een zwerm kleine vogels die als vlinders om mij heen dartelen en mij begeleiden naar een ander leven.


    We zijn verdeeld in groepjes van vijf. Om de beurt moeten we tien minuten “niks doen”. De anderen observeren en schrijven de associaties op die ze krijgen bij het aanschouwen van degene die “niets” doet. Met alle trefwoorden die we verzamelen gaan we daarna een performance doen. Ik sta tien minuten stil en staar naar een plek op de muur. Een ander draait cirkeltjes met zijn wijsvinger op de vloer. Een ander gaat comfortabel op de grond liggen. Na een uurtje hebben we een reeks trefwoorden waar we een tekst van maken die het startpunt is van onze performance.  Uit onze associaties komt een tekst over de holocaust.  Dat komt vooral door mij, één van de andere deelnemers is een Duitse en ze associeerde mij tijdens de oefening met een concentratiekamp. Ik zie die connectie niet zo, maar je weet nooit wat jij in mensen oproept. Dat is een goede les. Ik heb nooit de behoefte gehad om naakt een performance te doen. Ik vind dat er contextueel een hele goede reden moet zijn om dat te doen. Maar dit keer voelde ik die urgentie wel. Achteraf bleek het voor mij niet moeilijk om naakt een performance te doen, want je ziet het zelf niet. Er zijn studiegenoten en docenten die van mening zijn dat naakt performen uit de tijd is. Dat hebben we gehad in de jaren zeventig en tachtig en is nu niet nodig meer. Het voegt niets meer toe. En dat is vreemd in een land als Nederland, waar we ooit bekend stonden voor onze vrije moraal. Bovendien hangen de musea vol met schilderijen en beelden van vooral naakte vrouwen en nu zou het niet meer kunnen. Ik zie dat niet. Een kwetsbaar mens is naakt, heeft geen bescherming en blijkbaar voelde ik mij zo op dat moment. Met een gezonde spanning gaan we de vloer op. De Duitse spreekt de tekst uit met veel emotie. Ze vertelt het verhaal over haar opa, die een nazi was. Ze spreekt het uit naar mij. Heel dreigend eigenlijk. Ik blaas terug. Ik voel een vijandige sfeer. Ik ga steeds rechter staan en voel dat ik haar aan kan. Ik voel dat zij veel kwetsbaarder is dan ik. Zij met haar verleden. Ik heb dat niet. Ik heb geen opa die een nazi was. De stiefvader van mijn moeder werd op de dag van de bevrijding door de Duitsers doodgeschoten. Ze komt steeds dichterbij. Het is een heel intense moment. Ze voelt dat ik sterker ben en mij niet door haar laat intimideren. En dan spuugt ze naar mij. Ze spuugt op mijn naakte lijf. Voor het eerst sta ik naakt op de vloer en dan spuugt ze op mij. Ik verwijt haar niets, maar ik voel wel dat dit te ver gaat. Ik wend mij van haar af en verwijder mij langzaam van haar. Ik kijk niet.

    Het doet me niet veel, maar ik wil niet reageren.

    (Dit incident vond plaats tijdens de performance workshop Dissenting Bodies Marking Time, een project van de Venice International Performance Art Week. In de nabespreking ontstond hierover een felle discussie. Het is begrijpelijk dat dit in een heetst van de strijd gebeurt. Alhoewel ik het niet als een persoonlijke aanval heb opgevat, voelde het niet goed. Andrea, één van de begeleiders keurde het af, hij betitelde het zelf als mishandeling, tenzij het van te voren was afgesproken en dat was nu niet zo. Het grootste deel van de groep was het hiermee eens. Een enkeling vond dat het wel moest kunnen en was daar heel stellig in.)


    De ruimte is koud en niet groot. De muren zijn wit, door de kieren tussen de eeuwenoude dakbalken stroomt de winterse kou naar binnen. Voor mij staat een kleine kachel te stralen. De gloed verspreidt een oranjekleurig licht. In het midden is een schot dat de ruimte in twee delen verdeelt. Het andere deel is nog leeg. Ik moet in mijn eentje de hele ruimte vullen. Ik ben naakt en heb alleen een stuk zeep. Ik voel mij kwetsbaar. Het gaat over mensen die alleen zijn. Geen netwerk hebben. Niet in staat zijn de zorg om zich heen zelf te organiseren. Wel zeep hebben, maar geen water. Er zijn zoveel ouderen die alleen wonen en eenzaam zijn. Niet voldoende hulp hebben. Niet kunnen of willen voldoen aan de basisbehoefte om jezelf te wassen. Zoiets simpels in een rijk land als Nederland. En het wordt alleen maar erger, er komen steeds meer ouderen en er zijn onvoldoende mensen om hen te helpen. Ik voel de ruimte die ik in neem. Het is geen gewone ruimte. Het is iets anders. Het is een dimensie die je in het gewone leven niet tegenkomt. Ik hoor de mensen binnenkomen. Ze gaan op het bankje zitten. Het is of je teruggaat naar je kindertijd, alles op intuïtie. Niets is gepland. Het is een leegte. Een leegte waarin je niet nadenkt over wat je doet, maar je wel bewust bent van alles om te heen. Al mijn zintuigen staan open. Ik hoor de voeten schuifelen. Ik hoor de camera's klikken. Die leegte is de vrijheid om niet langer na te denken wat je doet, maar het gewoon te laten gebeuren.

    Ik ga naar Tess. Ze is in één van de kamers naast mij.  Ze heeft zich helemaal overgoten met eten. Het ruikt zuur en stinkt verschrikkelijk. Ik loop met mijn blote voeten door de spaghetti. Langzaam begin ik haar te wassen met mijn zeep. Tess ze is zo’n mooi mens. Heel kwetsbaar ook. We vegen elkaar met tissues schoon. Het is heel intiem. Tess met haar grote zware lichaam en ik meer dan dertig  jaar ouder en 50 kilo lichter. Van binnen voelt het goed. Het gaat niet alleen om wat je doet maar het moet van binnen ook kloppen. Ik ken Tess al van de workshop in Den Haag. We voelen elkaar goed aan. We werken allebei in de ouderenzorg en dat schept een sterke band.

    Als ik dit lees rijst de vraag, waarom doe ik dit? Waarom wil ik dit? Eigenlijk weet ik dat niet goed. Maar de mensen die je ontmoet zijn zo mooi. Die diversiteit, van over de hele wereld, van allerlei seksuele geaardheid, van allerlei culturen en kleuren,  een niche wereld, die performance art heet. Een tussenwereld. Het is maar een klein clubje en is maar voor een beperkt publiek weggelegd. In ons rationalistische Mondriaan land, wordt het vaak niet begrepen. Alles moet verklaard worden en geanalyseerd. Hier hoeft het niet. Maar wat is het? Zijn het rituelen? Zijn wij op zoek naar de rituelen voor de toekomst? Is dit alleen voor onszelf? Je hoeft hier geen uitleg te geven. Hier is intuïtie het sleutelwoord. Hier vertelt je lichaam wat je moet doen. Hier volgt je lichaam je emoties en je emoties je lichaam. De kleinste verandering beïnvloedt je innerlijke landschap. Door dat landschap slingert je eigen pad.

    Bronnen  Het palazzo

    • Oida, Yoshi, ed. The Invisible Actor. London: Methuan, 1997.
    • CO-CREATION LIFE FACTORY Dissenting Bodies Marking Time, een project van de Venice International Performance Art Week  januari 2020. Met dank aan Vest&Page ( Verena Stenke en Andrea Pagnes), Marianna Andrigo en Aldo Alliprandi, Guillermo Gómez-Peña
    • Abramovic, Marina. The Artist is Present. Dogwoof DVD. 2012
    • Kentridge, William. How we make Sense of the World, Lousiana Channel 2014. Online. Internet. Beschikbaar  https://www.youtube.com/watch?v=G11wOmxoJ6U






    DE LEGE RUIMTE


    In de voorgaande hoofdstukken heb ik verschillende ‘tussenruimtes’ onderzocht  die voor mij en voor mijn ontwikkeling als kunstenaar belangrijk zijn. Zoals ik al in de leeswijzer heb aangegeven ben ik tot nu toe vrij intuïtief te werk gegaan. Schrijven is voor mij heel  natuurlijk en ik heb de woorden het werk laten doen. Dit was een bewuste keuze, ik ben niet afgeleid door het eindresultaat, maar kan vrij bewegen tijdens mijn zoektocht. In dit hoofdstuk ga ik op zoek naar de onderlinge verbanden tussen deze verschillende ‘ruimtes’ en de relatie met de performancekunst.

    De Engelse kunstenaar Stuart Brisley, één van de pioniers in de performancekunst, had zich tot 1966 vooral bezig gehouden met het maken van objecten in de vorm van sculpturen. Op dat moment  had hij een punt in z’n loopbaan bereikt waarin hij het gevoel had een stap verder te willen zetten. Het materiaal had als het ware zijn eigen conclusies al getrokken. Het had zijn werk gedaan. Zijn belangrijkste kunstuiting werd de performancekunst. Zijn nieuwe materiaal werd het proces zelf. Hij hoefde geen object meer te maken. Dat was voor hem een grote opluchting. Performancekunst gaf hem tevens de mogelijkheid een directe relatie aan te gaan met het publiek. Voorheen zag het publiek alleen het werk van de kunstenaar, het product. Maar in een performance zie je het product en de productie op hetzelfde moment. Hij had zich nu bevrijd van het object en daarmee ook van alle rompslomp die dit met zich meebracht. Hij  kreeg als het ware opnieuw toegang tot zijn eigen kunst, onafhankelijk van kunstcritici, galeriehouders en handelaren.

    Deze bevrijding van het object voel ik ook. Ik voel een bepaalde afstand ontstaan als de sculptuur, tekening, of schilderij klaar is. Je plaatst het in een ruimte en dat is het dan. Het voelt als onpersoonlijk.  Bij performance is dat anders. Je maakt het werk in het moment en hebt direct contact met het publiek. Het werk leeft voort in de gedachten van de toeschouwers en in de verhalen die zij erover vertellen.

    Zomer 2019 volgde ik een performance workshop in Den Haag. Tijdens de eindpresentatie werkte ik samen met mijn vriend Oozy, een drag queen uit het VK. In hoofdstuk één schreef ik hierover het volgende:

    Opeens wist ik ook wat performance art voor mij betekende. Vanuit een diepe concentratie stap je een andere wereld binnen. Je maakt  een ruimte tussen de gangbare ruimtes in, het is voor mij geen acteren maar een heel bewuste aanwezigheid in het moment. Tijdens mijn performances creëer ik mijn persoonlijke tussenruimte…………..We namen dingen van elkaar over en lieten dingen los en zo ontstond er een andere wereld.

    Pas nadat ik deze passage had geschreven ben in onderzoek gaan doen naar deze tussenruimte. Wat voor ruimte is dat en hoe verhoudt deze zich tot toeschouwer?

    Tijdens mijn onderzoek stuitte ik op twee grootheden uit de theaterwereld die voor mij interessant zijn: de Engelse theatermaker Peter Brook en de Japanse acteur en regisseur Yoshi Oida. Peter Brook schrijft in zijn boek The Empty Space over de lege ruimte. Volgens Brook creëer je op de het toneel een lege ruimte. Die lege ruimte is voor hem geen middel maar een doel. Hij ziet twee bewegingen: een beweging naar buiten en een beweging naar binnen. Je laat een beeld zien naar de buitenwereld toe, maar er is ook een beweging naar binnen. Een beweging die een innerlijke ruimte creëert. Deze innerlijke ruimte noemt hij de lege ruimte. Deze lege ruimte maakt het mogelijk door te dringen tot de innerlijke ruimte van de toeschouwer. Op deze manier raak je de toeschouwer. Je hebt volgens Brook die innerlijke leegte nodig om het publiek te raken.  De Servische performancekunstenaar Marina Abramovic beschrijft iets vergelijkbaar met betrekking tot de performancekunst. Zij spreekt over het creëren van een charismatische ruimte.


    “Slow down with your body and mind. You have to create your own charismatic space. Empty yourself. Be able to be in a present time. Put your mind in here and now and there will be a direct energy between the public and the performer.”


    Volgens Japanse acteur Yoshi Oida is het publiek op zoek naar iets dat buiten de realiteit ligt van het dagelijks leven. Hij ziet het als taak van de performer om het publiek in een andere tijd en ruimte te brengen. Als een bestuurder van een auto, die de toeschouwers transporteert naar een buitengewone plek. Om dit te bereiken moet de acteur als het ware onzichtbaar worden. Hij creëert een ‘niets’. Deze nietsheid is voor hem de vrijheid om niet langer na te denken over wat je doet of over het bereiken van bepaalde resultaten. De performance gebeurt gewoon. Het hoogste niveau dat je hierin kunt bereiken is het niveau van een baby: niets is gepland of bewust geconstrueerd, je gedachten en gevoelens die opkomen zijn levendig en helder.

    Volgens Brook werkt  een musicus met materiaal dat het onzichtbare het dichts benadert als voor een mens mogelijk is. Alleen een naakte acteur vertoont gelijkenis met een zuiver instrument als een viool en dan alleen nog als zijn of haar bouw aan volstrekt klassieke normen beantwoordt.

    De ruimte die deze drie kunstenaars beschrijven is nauw verwant aan mijn eigen ervaringen. Je stapt een andere wereld binnen. Een wereld die buiten de realiteit staat. Een lege wereld, waar alles open is. Het gaat niet zo zeer om wat je doet, maar hoe je het doet. Het is de ruimte zelf waar het over gaat.  Achteraf merk ik regelmatig aan de reacties van de toeschouwers dat zij iets dergelijks ook ervaren. Ik heb een andere wereld gecreëerd die hen raakt. Dan weet ik dat mijn performance geslaagd is. Dan is het mij gelukt binnen te treden in de innerlijke ruimte van de toeschouwer.

    Maar hoe verhoudt deze lege ruimte zich tot de andere ruimtes die ik in het voorafgaande beschreven heb: de ruimte tussen leven en dood, de verlaten straten van Birmingham in de nacht, het badhuis in Spirited Away waar je wordt ontdaan van al je vooroordelen en vooringenomenheid en Nakata die half in het rijk van de doden leeft, tussen het bewuste en onbewuste in. Wat heeft dat er allemaal mee te maken?

    Peter Brook noemt de lege ruimte een zone die niet volgestouwd is met concepten en beelden. Een ruimte zonder vooroordelen en verwachtingen. In een interview in de Volkskrant beschrijft hij het als volgt.

    “ Ik kan zomaar een lege ruimte nemen en die kaal toneel noemen. Een man loopt door een lege ruimte terwijl iemand anders naar hem kijkt en meer is er niet nodig. ……...Goede podiumkunst is precies als het leven zelf, maar dan alle slappe delen er uit weggesneden. Dat moet heel langzaam gebeuren, je moet leren al het overbodige weg te laten, je begint niet in een lege ruimte, je eindigt daar.

    Als ik de vertaling maak naar performancekunst en performancekunst is net als het leven zelf dan kan ik  het leven zelf ook zien als een performance. Je eindigt in een lege ruimte. Langzaam wordt het leven ontdaan van alle overbodigheid. Het is alleen de basis die overblijft en de basis is leeg en vol onzekerheid, maar ook open voor het onverwachte. Dat is misschien ook wel waar ik naar op zoek ben. Naar ruimtes waar niets zeker is. Zo zie ik ook de laatste maanden van het leven van Ger zonder zijn Bets  in het lege appartement. Het leven is ontmanteld en wat er overblijft is de onzekerheid over wat er komen gaat.

    In het eerste jaar van mijn studie gaf ik een presentatie over de Zuid-Afrikaanse filmmaker en kunstenaar William Kentridge. Hij noemt onzekerheid één van de meest essentiële categorieën in het leven. Wanneer iemand zeker is van zichzelf kun je dat al horen aan z’n stem. Hij gaat harder praten, meer autoritair en is bereid deze zekerheid met wapens te verdedigen. Er schuilt wanhoop in deze zekerheid. Politieke en filosofische onzekerheid, onzekerheid van beelden komt veel dichter bij hoe de wereld in elkaar zit dan zekerheid. Zaken die in eerste instantie heel helder zijn kunnen in een andere context een totaal andere betekenis krijgen. Voor hem staat het werken zonder storyboard of script bij het maken van zijn animatiefilms symbool voor hoe het werkt in de wereld en hoe we de wereld kunnen begrijpen.  Zo zie ik mijn kunst ook. De onzekerheid van performancekunst, van werken in het moment zelf staat symbool voor het leven zelf. Als de onzekerheid de kern is van mijn kunst dan is het bruggetje gauw gemaakt naar mijn nachtelijke wandelingen door Birmingham.

    Die stad bij nacht. De vele wandelingen door de troosteloze verlaten straten. Dichtgetimmerde loodsen, eenzame duistere figuren in donkere hoekjes, verder geen mens te bekennen, geen verkeer op straat. Ik bevond mij in een vacuüm van de stad, alsof ik zonder dat ik het doorhad een onrealistische wereld was binnengelopen. Die eenzaamheid, die spanning, die wereld waar slechts een enkeling zich in waagt. Die leegte die nog alle mogelijkheden biedt voor invulling, waarin niemand weet dat ik er ben en niemand zegt wat ik moet doen. Een onvoorwaardelijke vrijheid in het holst van de nacht. Dat is waar ik mijn kunst zoek, niet in wat we weten, maar in dat wat we niet weten, waar we vrij zijn om te zien en te voelen wat we zien en voelen. Geen vooringenomenheid, maar een leegte, een tussenruimte met eindeloze mogelijkheden.

    Ik vind het opmerkelijk dat ik dit geschreven heb voordat ik de boeken van Peter Brook en Yoshi Oida heb bestudeerd. Sommige passages zeggen bijna letterlijk wat zij zeggen over de lege ruimte in het theater.

    Ook in de boeken van Murakami  speelt de lege ruimte een prominente rol. Nakata, één van de hoofdpersonen in het boek Kafka op het strand, vertegenwoordigt zelf die lege ruimte. Door wat hij in zijn jeugd heeft meegemaakt ( het incident in de bergen waarna hij enkele weken in coma lag)  leeft hij als het ware tussen leven en dood in. Hij is die leegte. Zijn leven is ontmanteld. Hij heeft een halve schaduw, kan niet lezen, niet schrijven, kan zich niets herinneren en heeft geen vooroordelen. Hij is onbevangen als een baby. Hij kan alleen de weg vinden in zijn eigen buurt in Tokyo, maar zodra hij daar buiten treedt verdwaalt hij. Aan de andere kant leeft hij half in een andere wereld. Hij kan met katten praten en met kami’s communiceren. Hij vormt als het ware het transportmiddel van de ene wereld naar de andere. Murakami gebruikt vaak een lege ruimte om de overgang tussen  het realistische en het onrealistische te overbruggen. In Kafka op het strand vertegenwoordigt onder andere Nakata deze lege ruimte. In zijn boek de Opwindvogelkronieken is het een lege put waardoor de transitie plaatsvindt. Bij Murakami gaat het vaak om de overgang van het bewuste en het onbewuste. Zelf zoek ik tijdens mijn performances het onbewuste niet op. Ik ben mij juist veel meer bewust van wat er om mij heen gebeurt. Alle zintuigen staan open en dat brengt mij tot een andere dimensie. Door heel bewust aanwezig te zijn in de ruimte en in het hier en nu kan ik mij losmaken van de realiteit, van vooroordelen, vooringenomenheid en van het resultaat. Ik moet mezelf heel bewust ontdoen van alle overbodigheden om in de leegte te komen.


    an ik nu concluderen dat wat ik een tussenruimte noem eigenlijk een lege ruimte is? Het niets van de lege ruimte is volgens Oida een transportmiddel om de toeschouwers naar een buitengewone plek te brengen. Een plek die ze in de realiteit van het dagelijks leven niet kunnen bereiken. De tussenruimte als een transportmiddel om je van de ene naar de andere plek te brengen. Of het nu de lege ruimte is van Peter Brook, het badhuis in Spirited Away, de verlaten straten van Birmingham, de leegte die ontstaat als het leven zijn einde nadert  of de charismatische ruimte die Abramovic creëert in haar performances, het brengt ons naar een andere wereld. Een open maar onzekere wereld.

    Bronnen De lege ruimte

    • Brook, Peter. De lege ruimte. Amsterdam: Uitgeverij International Theatre & Film Books, 2007.
    • Oida, Yoshi, ed. The Invisible Actor. London: Methuan, 1997.
    • Kentridge, William. How we make Sense of the World, Lousiana Channel 2014. Online. Internet. Beschikbaar  https://www.youtube.com/watch?v=G11wOmxoJ6U
    • Abramovic, Marina. The Artist is Present. Dogwoof DVD. 2012
    Embrechts, Annette. Bijna 93, maar onvermoeibaar: de negen hoogtepunten van theaterregisseur Peter Brook. Volkskrant, 14 maart 2018



    HOME